Je thermostaat energiezuiniger instellen

Door Redactie

Kies een vaste temperatuur die comfortabel genoeg is wanneer je thuis bent en verlaag die alleen wanneer je slaapt of langere tijd weg bent. Verwarm vooral de kamers die je gebruikt en geef veranderingen steeds een paar dagen de tijd, zodat je niet steeds tegen elkaar in bijstuurt.

Digitale thermostaat aan de muur in een woonkamer

Een vaste temperatuur voorkomt onrustig bijverwarmen

De thermostaat steeds hoger en lager zetten voelt soms zuinig, maar leidt vaak tot ongemak en onverwacht bijstoken. Kies daarom eerst een basistemperatuur voor de uren waarop je meestal thuis bent. Veel huishoudens beginnen bijvoorbeeld met 19 graden en passen daarna hooguit een halve of hele graad aan als dat nodig blijkt.

Wat prettig is, verschilt per woning, kleding en activiteit. Wie stilzit aan tafel heeft het eerder fris dan iemand die kookt of het huis schoonmaakt. Trek bij een kleine temperatuurdaling eerst een extra laag kleding aan of gebruik een plaid op de bank. Dat is vaak prettiger dan de hele woning warmer maken.

Verander de instelling niet ieder uur. Een huis, vloer en meubels warmen geleidelijk op en koelen ook niet meteen af. Beoordeel een lagere instelling daarom een paar dagen op vergelijkbare momenten, bijvoorbeeld tijdens een gewone avond thuis.

Laat het programma aansluiten op slapen en afwezigheid

Een programmeerbare thermostaat werkt het prettigst wanneer hij het ritme van je huishouden volgt. Zet de temperatuur lager voor de nacht en voor uren waarin niemand thuis is. Een bescheiden verlaging is meestal een bruikbare keuze; hoeveel precies past, hangt onder meer af van isolatie, ventilatie en hoe snel jouw huis afkoelt.

  1. Kijk naar je werkelijke weekritme: noteer wanneer de woning op doordeweekse dagen en in het weekend meestal leeg is.
  2. Plan een lagere stand voor rustige uren: laat de temperatuur niet onnodig hoog blijven terwijl je slaapt of weg bent.
  3. Zet het opwarmen op tijd in: kies een tijd waarop de woning comfortabel mag zijn, niet per se het moment waarop je opstaat of thuiskomt.
  4. Pas één instelling tegelijk aan: merk je dat het te koud is, verander dan de begintijd of temperatuur een beetje en kijk opnieuw enkele dagen.

Bij vloerverwarming duurt opwarmen en afkoelen vaak langer dan bij radiatoren. Grote, korte temperatuursprongen passen daar meestal minder goed bij. Houd het programma dan rustiger en voorkom dat je de regeling steeds handmatig overneemt.

Verwarm kamers op basis van gebruik

De woonkamer hoeft niet hetzelfde verwarmd te worden als een logeerkamer, slaapkamer of berging. Met radiatorknoppen kun je kamers waar je weinig komt doorgaans lager houden. Sluit een radiator niet zomaar volledig af in een vochtige of koude ruimte: een kleine basistemperatuur en voldoende ventilatie helpen om een erg kille ruimte en condens te beperken.

Houd binnendeuren dicht tussen duidelijk warmer en koeler ingestelde ruimtes. Anders trekt de warmte naar kamers die je juist niet wilt verwarmen. Zorg wel dat ventilatieroosters en noodzakelijke ventilatie niet worden afgeplakt of dichtgezet. Verse lucht blijft belangrijk voor een prettig binnenklimaat en voor het afvoeren van vocht.

Controleer ook of gordijnen, een bank of een ombouw de radiatoren niet grotendeels blokkeren. De warmte kan dan minder goed de kamer in en de thermostaat registreert mogelijk niet goed hoe de leefruimte aanvoelt.

De plek van de thermostaat bepaalt wat hij meet

Een thermostaat regelt op de temperatuur die hij op zijn eigen plek meet. Hangt of staat hij bij een radiator, in de zon, naast een warme lamp of in een tochtstroom, dan kan de verwarming te vroeg stoppen of juist langer doorgaan dan nodig is.

Is het bij de thermostaat aangenaam maar verderop in de zithoek koud, kijk dan eerst naar de warmteverdeling. Ontlucht radiatoren als ze bovenaan koud blijven, houd meubels iets vrij van de verwarming en controleer of radiatorkranen open genoeg staan in de kamer waar de thermostaat hangt. Verplaats een vaste thermostaat niet zelf wanneer daarvoor bedrading of de cv-installatie moet worden aangepast; laat dat beoordelen door een vakman.

Voorkom verspilling zonder het huis potdicht te maken

Verwarmen werkt zuiniger wanneer warmte niet direct langs kieren verdwijnt. Sluit ramen en buitendeuren goed, gebruik tochtstrips waar die passen en doe gordijnen dicht zodra het donker is, zolang ze niet voor de radiator hangen. Laat overdag zonlicht juist binnen wanneer dat prettig is.

Ventileer ondertussen bewust. Roosters open laten of regelmatig kort luchten is doorgaans beter dan een raam urenlang wijd openzetten terwijl de verwarming hoog staat. Douche je, kook je of droog je was binnen, voer vocht dan af met de afzuiging en ventilatie. Een vochtige woning voelt vaak kouder aan, waardoor je sneller geneigd bent de thermostaat hoger te zetten.

Wanneer een lagere instelling niet prettig of logisch is

Een lagere temperatuur is geen doel op zichzelf. In een slecht geïsoleerde woning kan de temperatuur bij langdurige afwezigheid te ver dalen, met een grotere kans op condens en vochtproblemen. Ook jonge kinderen, ouderen of mensen die weinig bewegen kunnen meer warmte nodig hebben. Kies dan liever een veilige, stabiele basis en bespaar op momenten waarop dat comfortabel kan.

Blijft een kamer koud terwijl de verwarming lang aanstaat, hoor je borrelende radiatoren of reageert de ketel onvoorspelbaar, dan ligt het probleem mogelijk niet aan de instelling. Draai niet eindeloos hoger, maar laat de installatie nakijken als eenvoudige controles geen verbetering geven.

Scroll naar boven